Josephine Peters

Op de achterkant van een negentiende-eeuwse foto staat een naam geschreven, in het Tsjechisch: Josefina Petersová, geboren Hochsinger — vriendin van Ludwig van Beethoven en Franz Schubert. Het is de enige foto van haar die ooit is opgedoken. En ze verandert alles wat we over haar wisten, want tot voor kort had deze vrouw geen gezicht.

Josephine Peters duikt in de muziekgeschiedenis meestal op als bijfiguur: de vrouw voor wie Beethoven een exemplaar van zijn liederencyclus An die ferne Geliebte apart liet leggen, de Hofrätin die zijn liederen zong terwijl hij zelf begeleidde, de gastvrouw bij wie kunstenaars in Peggau onderdak vonden. Steeds gaat het over de beroemde mannen om haar heen. Zelden over haar.

Dat is jammer, want haar eigen verhaal is minstens zo goed. Het loopt van een koopmansgezin in Wiener Neustadt, via een muzikale jeugd in Wenen en een huwelijk in het huis van vorst Lobkowitz, naar een leven in Praag en uiteindelijk Peggau in Stiermarken. Daar werd ze niet alleen herinnerd als zangeres, maar als raadgeefster, lerares, weldoenster — en de vrouw die kunstenaars en welgestelde families met elkaar in contact bracht.

Een meisje uit Wiener Neustadt

Op 17 februari 1790 werd in Wiener Neustadt een meisje gedoopt: Josepha Juliana, dochter van koopman Zacharias Hochsinger en Theresia Manker. Later noemde men haar Josephine, Josefine, soms nog Josepha — een naamverwarring die er mede voor zorgde dat ze zo lang uit beeld bleef. Wie zoekt op “Josephine Peters” mist het meisje Hochsinger, de “Frau Peters” uit Beethovens gesprekken en de “Hofräthin” van de Stiermarkse herinnering.

Het gezin was welgesteld genoeg voor onderwijs en muzieklessen, niet welgesteld genoeg voor de hofadel. Josephine had een oudere zus, Marianne, geboren rond 1788. Andere kinderen zijn niet bekend.

Na de dood van haar vader verhuisde het gezin naar Wenen, naar een huis aan de Kohlmarkt, vlak bij de Michaelerkirche — midden in een wijk waar handel, adel en muziek elkaar dagelijks tegenkwamen. Een paspoort uit die tijd beschrijft haar als slank en energiek, met een rond gezicht, bruin haar en blauwe ogen: een zeldzaam fysiek detail bij een vrouw die verder vooral bekendstaat als “zangeres” en “salonnière”.

De vroegste bron waarin ze zelf aan het woord komt, is geen brief maar een vriendenboekje. Op 9 oktober 1808 schreef de achttienjarige Josephine een gedicht voor Franz Xaver Wolfgang Mozart — de jongste zoon van Wolfgang Amadeus Mozart, die op het punt stond Wenen te verlaten. Haar zus Marianne schreef diezelfde dag een eigen bladzijde. Beide blaadjes liggen nog altijd in Salzburg.

Josephine ondertekende met “manu propria” — eigenhandig. Het gedicht is in bloemrijke, mythologische taal geschreven, maar heel persoonlijk in de details: de “met ijs bedekte streek” verwijst naar de verre reis die de jonge Mozart ging maken.

Wie haar zangles gaf is niet bekend, maar haar latere reputatie wijst op meer dan een beetje huiselijk geklungel: ze kon muziek lezen, kende een breed liedrepertoire en kon zelfs op latere leeftijd nog leerlingen vormen. Optreden voor publiek deed ze niet — haar stem was, in de woorden van biograaf Constant von Wurzbach, “mooi en lieflijk, maar zwak”. Dat maakte van de salon en het kleine huisconcert haar natuurlijke domein.

Toen haar moeder in 1811 stierf, waren de zussen volwassen en niet onbemiddeld. Drie jaar later, op 5 mei 1814, trouwde Josephine in de Michaelerkirche met Karl Peters. Het echtpaar kreeg, voor zover bekend, geen kinderen.

Karl Peters, geboren in 1782 in Praag, werkte sinds 1810 als opvoeder van de kinderen van vorst Franz Joseph Maximilian Lobkowitz — een van Beethovens belangrijkste beschermheren. Het huwelijk met Karl bracht Josephine niet zomaar een nieuw huis, maar een plek middenin het netwerk waar componist en mecenas elkaar dagelijks tegenkwamen: repetities, lessen, opdrachten, uitvoeringen.

Het echtpaar woonde bij het Lobkowitz-zomerpaleis aan de Ungargasse, buiten de drukke binnenstad, in een groene rand waar adellijke families ruimte hadden voor muziek. Josephine was er de vrouw van de opvoeder — maar haar eigen zangtalent gaf haar een plek die niet tot Karls functie te herleiden was.

Toen vorst Lobkowitz in 1816 stierf, bleef Karl verbonden aan diens minderjarige zoon Ferdinand. Zo bleef de familie Peters decennialang in dezelfde kring: musici, hovelingen, doorreizende virtuozen als Carl Maria von Weber. Niet elk contact is met een visitekaartje te bewijzen, maar het is wel de wereld waarin Josephine zich bewoog.

Op 18 februari 1815, midden in de drukte van het Congres van Wenen, noteerde een diplomaat een concert waar ze mogelijk bij zong. Wel duidelijk is de timing: haar muzikale leven viel precies samen met het buitengewone seizoen waarin heel Europa zich in Wenen verzamelde en de stad overstroomde met concerten en bals.

“Salon” is misschien een te groot woord voor wat Josephine deed. Ze had geen vast instituut, geen gastenboek, geen aangekondigd programma. Haar invloed zat in gastvrijheid en aanbeveling: een zanger voorstellen aan een familie, een leerling beoordelen, een lied laten klinken in besloten kring. Dat soort werk laat weinig papieren sporen na — maar voor de verspreiding van muziek was het minstens zo belangrijk als een theatercontract.

De brieven van Beethoven

Op 8 januari 1817 schreef Beethoven aan Karl Peters over drie exemplaren van zijn zojuist voltooide liederencyclus An die ferne Geliebte. Twee gingen naar het huis Lobkowitz. Over het derde was hij duidelijk:

Geen opdracht op de titelpagina — die ging naar prins Lobkowitz — maar wel een persoonlijk cadeau, met naam genoemd in de brief. Beethoven wist dus wie ze was en verwachtte dat de muziek bij haar thuis zou landen. Waar haar exemplaar is gebleven, weet niemand.

Veel levendiger wordt het in de gespreksschriften waarin bezoekers voor de dove Beethoven hun kant van het gesprek opschreven. Karl vroeg op een gegeven moment doodleuk:

Niets steekgeks: een uitnodiging om, bij winterse kou, gewoon in huis te overnachten — maar wel een die laat zien hoe vertrouwd de twee huishoudens met elkaar waren. Elders grapt Josephine zelf over een van Beethovens canons:

Op 17 februari 1820 noteerde violist Joseph Czerny droogjes dat er een sonate van Voříšek klonk “und die Frau von Peters sang” — en mevrouw Peters zong. Wat ze zong staat er niet bij, maar het is een van de weinige harde bewijzen dat ze ook echt, live, voor Beethovens vrienden optrad. Karl voegde elders trots toe: “Meine Frau singt schöner” — mijn vrouw zingt mooier.

In dezelfde periode werd Karl medevoogd van Beethovens neef Karl, in de slepende voogdijstrijd na de dood van de componist zijn broer. Beethoven bedankte de twee betrokken vrienden — Peters en Karl Bernard — met een grappige canon, “Sankt Petrus war ein Fels / Bernardus war ein Sankt”, een woordspeling op hun namen.

Het ingewikkeldste verhaal is dat van een verloren cantate. Karl vertelde later dat Beethoven een muziekstuk beloofde dat Josephine zou zingen — maar het kwam zo laat en in zo’n onbruikbare vorm dat een uitvoering er nooit van kwam. Vermoedelijk ging het om een cantate voor de vijfentwintigste verjaardag van de jonge prins Ferdinand Lobkowitz, in 1822. Het origineel is spoorloos.

Vier jaar na Josephines dood schreef Wurzbach twee spectaculaire zinnen: dat Beethoven haar zelf op de piano begeleidde als ze zijn liederen zong, en dat hij voor haar naamdag een aparte cantate componeerde, die bij een verwant in Praag zou berusten.

Geen titel, geen datum — maar de gelijkenis met de verloren verjaardagscantate is opvallend. Misschien zijn twee herinneringen door elkaar gaan lopen: één cantate voor Ferdinand, één voor Josephine, in de familieherinnering samengesmolten tot één verhaal. Tot iemand het originele handschrift in een Praagse kast vindt, blijft het een mooi mysterie.

Praag, Palacký en het raadsel-Schubert

Toen prins Ferdinand meerderjarig werd, veranderde ook het leven van zijn opvoeder. Rond Pasen 1825 verhuisden Karl en Josephine naar Praag — voor Karl een thuiskomst, voor Josephine een compleet nieuw muzikaal decor vol burgerlijke concertzalen, operahuizen en adellijke salons.

Op 7 januari 1826 ontmoette de jonge František Palacký — de latere grondlegger van de Tsjechische nationale beweging — Hofrätin Josephine Peters tijdens een concert bij de familie Měchura. Een paar dagen later kocht hij, op haar verzoek, een nieuwe piano. Daarna schreef hij herhaaldelijk in zijn dagboek dat hij haar begeleidde. Het is best bijzonder om te bedenken dat een van de grote naamgevers van de moderne Tsjechische geschiedenis ooit gewoon Josephines huispianist was.

Historica Marie Tarantová groef deze dagboeknotities in 1984 op — met een grappig addertje: ze verwarde Josephine even met een andere weduwe Peters, die in 1812 vier kinderen kreeg toevertrouwd. Dat kán Josephine niet zijn geweest (ze heette toen nog Hochsinger en was nog niet eens getrouwd), een mooi voorbeeld van hoe makkelijk twee gelijknamige vrouwen in de geschiedschrijving door elkaar lopen.

Wat wel duidelijk is: Josephine zag zingen als samenspel. De pianist was voor haar geen begeleider in de schaduw, maar een gesprekspartner — of dat nu Beethoven, Palacký of later Dessauer was.

Praag is ook de stad waar Beethovens muziek een tijd bleef hangen: de latere eigenaar van een afschrift van de verdwenen cantate werkte er, en Wurzbach plaatste de mysterieuze naamdagcantate bij “een verwant in Praag”. Of dat toeval is, weten we niet — maar de stad duikt wel steeds weer op in het spoor van Beethovens zoekgeraakte bladmuziek.

Schubert neemt een merkwaardige plek in Josephines verhaal in. In de documenten die haar band met Beethoven zo levendig maken, ontbreekt zijn naam volledig. Toch schreef Wurzbach in 1870 stellig:

Het past helemaal bij haar profiel. Schuberts liederen werden in de jaren twintig van de negentiende eeuw vooral verspreid via precies zulke huiskamers — een piano, een goede zanger, een klein gezelschap. Josephine, met haar aandacht voor tekst en haar voorkeur voor besloten muziek, was er als gemaakt voor.

Toch is er, voor zover nu bekend, geen brief, opdracht of gastenlijst waarop Josephine en Schubert allebei voorkomen. Haar naam staat niet op een teruggevonden Schubertiade-programma. Wurzbachs zin blijft dus voorlopig een belofte zonder bewijsstuk — misschien ooit nog te vinden in andermans dagboek, kasboek of muziekalbum, misschien voorgoed verloren. Latere schrijvers noemen soms nog een tussenpersoon, maar hard bewijs ontbreekt ook daar.

Het is te makkelijk om Schubert zomaar tot vriend te bombarderen, maar ook te streng om hem helemaal te schrappen. Voorlopig hoort hij bij haar verhaal als een mooie herinnering waar het laatste bewijsstuk nog bij moet komen.

Zangeres, lerares

Josephines zangcarrière past niet in de gebruikelijke hokjes. Geen operarollen, geen theatercontract, geen recensies. Haar podium was het huiskamerconcert — en dat was in de negentiende eeuw een volwaardig alternatief voor het theater, met een hele generatie muzikaal hoogopgeleide vrouwen die niet voor geld zongen, maar wel repertoire lanceerden en leerlingen vormden.

Wurzbachs typering — “mooi, lieflijk en zwak” — verklaart meteen haar repertoirekeuze: geen grote dramatische aria’s, wel liederen en kleinschalig ensemblewerk, waarin uitdrukking en tekstbehandeling belangrijker waren dan volume.

Wat we van haar repertoire weten, vormt een kleine verzameling losse eilandjes: Beethovens liedcyclus, vermoedelijk Schuberts liederen, een sonate van Voříšek in 1820, Dessauers Der Pilot, en Ebells Sechs Lieder op. 1 — opgedragen “aan de hooggeboren mevrouw Josephine Peters, geboren Hochsinger” — met titels als Ich sah’ in die blaue unendliche See, Ständchen en Auf Flügeln des Gesanges.

Later werd ze ook lerares. Een pedagogisch jaarverslag uit 1868 noemt haar naast een kapelmeester als leraar van de zeventienjarige Emanuel Storch — een teken dat haar naam serieus meetelde in een professioneel curriculum, niet als vage huisadviseur maar als erkend vakvrouw. Of ze zelf ooit formeel had gestudeerd, is niet bekend; waarschijnlijker is dat ze de gangbare zangmethodes van haar tijd via leraren en haar netwerk kende.

In 2000 werd in haar oude villa in Peggau nog een muziekavond gehouden ter ere van haar kring; in 2009 klonken op een historische Streicher-vleugel opnieuw vier van Ebells liederen, samen met werk van tijdgenoten uit haar omgeving — bewijs dat haar salon, anderhalve eeuw later, nog steeds mensen weet samen te brengen.

Peggau: villa’s, vogels en een geheim clubje

Vanaf de jaren 1840 verlegde Josephines leven zich naar Stiermarken. Vanaf 1841 verbleef ze steeds vaker in Peggau, en in 1843 kwam de voormalige Heipl-villa in bezit van de familie Peters. Toen in 1844 de spoorlijn Graz–Mürzzuschlag opende, werd het landgoed ineens ook goed bereikbaar: landelijk genoeg voor rust, dichtbij genoeg voor bezoek.

De villa was rond 1799 gebouwd door mijnbouwondernemer Johann Nepomuk Heipl, met zijn initialen boven de deur en een tuin vol beelden. Historicus Ambros Gasparitz beschreef het huis in 1890, toen de herinnering aan zijn negentiende-eeuwse bewoners nog vers was:

Toen Karl in 1849 in Wenen stierf, vestigde Josephine zich blijvend in Peggau. Ze ontving er kunstenaars, schreef en onderhield haar netwerk. In 1856 verkocht ze de Heipl-villa aan gravin Marie Dietrichstein, die er een kapel liet bouwen.

Maar — en dit is een verrassing die Gasparitz’ boek uit 1890 oplevert — Josephine stierf niet in die bekende Heipl-villa. Ze overleed in 1866 in een ander huis, “niet ver van de Hofmühle”, waar ze zich later opnieuw had gevestigd. Twee villa’s dus, niet één: de ene waar ze haar salonjaren doorbracht, de andere waar ze haar laatste jaren sleet en stierf. Dat verklaart meteen waarom oudere bronnen als Wurzbach haar dood plaatsen “in Graz” — een kleine onnauwkeurigheid die zich makkelijk voordoet wanneer twee huizen tot één worden samengevoegd.

Peggau was geen afgelegen kunstenaarsdorp maar een dorp met oude mijnbouw, ambachten en adellijke zomergasten, vlak bij het klooster Stift Rein. Een overlijdensbericht in Das Vaterland omschreef treffend wat ze daar deed: ze onderhield levendig contact met musici en schilders en bracht hen in verbinding met voorname families, waar men haar oordeel en discretie waardeerde. Kortom: ze was de spin in het web.

Haar salon was vermoedelijk informeler dan het woord doet vermoeden — gasten die dagen of weken bleven, gedichten die werden voorgelezen, liederen die werden uitgeprobeerd. Componist Josef Dessauer logeerde er in 1851; muziek die hij toen schreef, belandde later in de bibliotheek van Stift Rein.

Een van de leukste raadsels uit Josephines late leven is de zogenaamde “Feistritz-Peggauer Dichterschool” — een naam die groter klinkt dan de werkelijkheid: een speels literair groepje dat elkaar dieren- en vogelnamen gaf als bijnaam.

Een handschrift in het klooster Stift Rein onthult wie er achter de namen schuilgingen. Het gaat om een schertsgedicht, geschreven door pater Rupert Rosegger op muziek van priester-componist Josef Chmelíček, opgedragen “aan de Vink en de Oehoe, en door beiden aan een Kwartel, uit grote achting”. Fink is Rosegger. Uhu is Chmelíček. En Wachtel — de kwartel — is Hofrätin Josephine Peters zelf.

Rosegger, geboren in 1819, trad op zijn negentiende in bij de cisterciënzers van Stift Rein en werd priester en schrijver; Chmelíček, vier jaar jonger, was organist, componist en later hoogleraar in Brno — en, toevallig genoeg, de huisgeestelijke van de nieuwe eigenares van Josephines oude villa.

“Kwartel” past mooi bij een vrouw met een kleine maar karakteristieke stem; “Vink” en “Oehoe” zetten de lichte zangvogel tegenover de wijze nachtuil. Josephine was toen ruim in de zestig, dertig jaar ouder dan haar twee vrienden — maar duidelijk geen relikwie uit Beethovens Wenen. Ze deed gewoon mee.

Haar Peggause kring bestond deels uit priesters en kloosterlingen, in een tijd waarin parochie, geleerd gezelschap en muziekpraktijk moeiteloos door elkaar liepen. Chmelíček kon ’s ochtends de mis opdragen en ’s middags een schertsgedicht componeren voor zijn Wachtel. Precies dat vermogen om werelden te verbinden was Josephines grote talent.

De laatste jaren

Componisten droegen muziek aan Josephine op omdat ze het kon uitvoeren, aanbevelen of laten horen in een invloedrijke kring. Josef Dessauers lied Der Pilot, gepubliceerd in 1835, is het duidelijkste voorbeeld — een titel die achteraf bijna toepasselijk klinkt voor een vrouw die voortdurend kunstenaars door sociale wateren loodste.

Dessauer bleef meer dan een naam op een titelblad: hij logeerde in 1851 in Peggau en schreef haar in 1855 nog een verjaardagsbrief. Ook Carl Gustav Ebell droeg zijn Sechs Lieder aan haar op, met haar meisjesnaam erbij vermeld — een detail dat haar een eigen identiteit gaf naast die van haar man.

Van een echt brievenarchief van haarzelf is niets over. Logisch, eigenlijk: als bemiddelaar liggen haar sporen meestal in de nalatenschap van anderen — een brief van een schilder aan “die Hofräthin” kan zomaar in een kunstenaarsarchief liggen zonder dat haar naam ooit in een catalogus opduikt.

Ze bewoog zich in dezelfde kringen als de Weense dichter Franz Grillparzer, al is een directe brief tussen hen nooit gevonden. Zijn wereld laat wel zien wat haar huis bood: een plek waar literatuur, muziek en gezelschap niet los van elkaar bestonden.

Ze schreef trouwens ook zelf. Van haar eigen werk is vooral het gedicht Mein deutsches Lied bekend, geschreven in 1862 toen ze tweeënzeventig was — een titel die intrigeert, in een tijd van groeiende nationale spanningen, maar waarvan de tekst zelf voorlopig nog ergens in een oud tijdschrift verscholen ligt.

Ze stond ook bekend om haar liefdadigheid aan de armen in Peggau — bezit, contacten en invloed inzetten voor anderen was kennelijk een rode draad in haar hele leven.

Een familielid, Carl Ferdinand Peters, vatte haar betekenis treffend samen: ze was “een stuk Oostenrijkse cultuurgeschiedenis”. Weinig mensen verbinden zoveel generaties in één leven: Mozarts zoon, Beethoven, de Schubert-traditie, Palacký, Dessauer, de Praagse en Weense salonwereld, de Stiermarkse dichters — en een jonge generatie zangleerlingen.

Josephine Peters stierf op 28 maart 1866, zesenzeventig jaar oud, in haar villa bij de Hofmühle in Peggau. Twee dagen later schreef de krant Das Vaterland over haar levendige contacten met musici en schilders en over hoe men haar oordeel waardeerde.

Haar testament is nooit teruggevonden. Omdat ze geen kinderen had, gingen bezit, brieven en muziekalbums vermoedelijk naar verre verwanten — misschien wel dezelfde Praagse familietak die Wurzbach noemde als bezitter van de verdwenen naamdagcantate. Ook haar graf is nooit teruggevonden.

Tot voor kort was er zelfs geen enkel beeld van haar. Dat veranderde onlangs: er dook een zoutdruk-foto van haar op, met op de achterkant een Tsjechische inscriptie die haar naam en haar band met Beethoven en Schubert vastlegt. Verder blijven vooral haar eigen handschrift — te zien op het sierlijke Mozart-albumblad — en een handvol voorwerpen over die ze zeker heeft aangeraakt: haar verdwenen exemplaar van An die ferne Geliebte, de liederen die aan haar zijn opgedragen, brieven, misschien nog muziek in het klooster Stift Rein. De geschiedenis van zo’n leven is niet alleen een stapel teksten, maar een verspreide verzameling spullen — waar nu voor het eerst ook een gezicht bij hoort.

Wurzbachs korte biografische schets uit 1870 was tegelijk redding en beperking: zonder hem waren Beethovens begeleiding, de naamdagcantate, haar Schubertrepertoire en haar liefdadigheid misschien helemaal vergeten. Maar zijn compacte stijl maakte van haar vooral “vriendin van beroemde mannen”. Latere onderzoekers — Jaroslav Macek vanuit Beethovens Bohemen, en meer recent Bernhard en Klaus Hubmann vanuit Stiermarken — hebben dat beeld flink verbreed, met haar eigen leven in Peggau als middelpunt in plaats van voetnoot.

De herdenkingsavond die in 2000 in haar oude villa werd gehouden, en de matinee in 2009 waarop op een historische vleugel opnieuw liederen uit haar kring klonken, laten zien dat haar salon ook anderhalve eeuw later nog mensen weet samen te brengen.

Wat blijft

Josephine Peters was geen componist met een indrukwekkende werklijst en geen operadiva met een rij hoofdrollen. Haar betekenis zit in ander soort werk: ze luisterde, zong, onderwees, ontving, adviseerde, introduceerde en bewaarde. Dat soort werkwoorden laat zelden een groot monument achter — maar leg je genoeg brokstukken bij elkaar (een albumblad, een brief, een gespreksnotitie, een dagboek, een opdracht, een krantenbericht, een huizengeschiedenis, een kloostermanuscript) dan ontstaat er ineens een heel leven.

Beethoven kende haar niet alleen als “de vrouw van”. Hij liet een exemplaar van zijn vernieuwendste liederencyclus voor haar apart leggen, zijn vrienden praatten met hem over haar zang, hij kwam over de vloer bij het huis Peters, en haar man werd medevoogd van zijn neef. De beroemde verhalen over persoonlijke begeleiding en een naamdagcantate hoeven niet eens waar te zijn om die nabijheid overtuigend te maken — die staat al gewoon in de rommelige bladzijden van zijn gespreksschriften.

Schubert blijft een stillere aanwezigheid, een belofte die nog op zijn bewijsstuk wacht. Palacký is inmiddels uit de schaduw getreden als de pianist die zijn eigen ontmoetingen opschreef. Dessauer, Ebell, Rosegger en Chmelíček geven haar netwerk gewicht voorbij de twee grote namen.

Het mooiste nieuwe beeld is misschien wel dat van de Kwartel. In Peggau, ver van de grote concertzalen, droegen een Vink en een Oehoe een schertsgedicht aan haar op. De oude zangeres werd opgenomen in een lokale taal van vogels, vriendschap en muziek. Ze was niet alleen bewaarster van een verleden — tot vlak voor haar dood bleef ze iemand rond wie nieuwe cultuur ontstond.